Vanavond hadden we
dan het eerste college ‘Maatschappelijk Mediabewust’. De les begon met de
bespreking van een filmpje op Youtube over ‘21st century students’ (bron: http://www.youtube.com/watch?v=bjgKzrkMetU&feature=related).
De boodschap van het filmpje was: zorg dat je als leerkracht aansluit bij de
belevingswereld van het kind. ‘21st
century students’ zijn de leerlingen van nu, de leerlingen waaraan ik les geef.
Maar hoe sluit ik als leerkracht nou aan bij kinderen die in een totaal andere
(media-)wereld opgroeien dan ikzelf ben opgegroeid?
Onze docent, Marcel, lichtte al een tipje van de sluier op
door ons mee te geven dat je als leerkracht Cultuur(door)drager bent. Dit wil
zeggen dat je als leerkracht de maatschappij waar jouw leerlingen in leven
‘monitort’: via verschillende media houd je in de gaten wat de huidige
leefwereld (van jouw leerlingen) is en bepaal je wat je de kinderen mee wil
geven van die maatschappij.
We hebben daarna met elkaar besproken hoe je de begrippen
‘democratie’, ‘participatie’ en ‘identiteit’ nou terug kunt laten komen in jouw
onderwijs. Deze 3 begrippen riepen bij mij meteen een associatie met de
politiek op omdat zij alle 3 terug komen in het woord ‘debatteren’: iets wat je
niet kan doen zonder dat mensen participeren, staan voor hun identiteit en democratie
toegepast wordt door alle deelnemers. Naar mijn mening zou je met een klas ook
heel goed een debat kunnen voeren. Een debat voeren klinkt zwaar, maar ik
bedoel eigenlijk dat je met kinderen moet praten over dingen die hen aangaan. Dit
deed me denken aan de brochure van De WiFi-generatie (bron: Hop, L. en
Delver, B. (2010) De WiFi- generatie De
jeugd op het mobiele internet, Vliegensvlug en Vogelvrij, geraadpleegd op 1
februari 2012, http://www.mediarakkers.nl/images/stories/pdf/Brochure%20de%20WIFI-generatie.pdf
) die ik had gelezen. Een citaat uit deze brochure: “Zet mediawijsheid op de
agenda. Neem jeugd serieus. Zie haar als expert. Anticipeer. Maak beleid, maar
doe het samen.”
Volgens mij zou je door de kinderen samen te laten
reflecteren op hun mediagedrag een soort van debat kunnen laten ontstaan tussen
hen. Door dit te doen neem je de leerlingen serieus. Als je zelf een
adviserende en begeleidende rol aanneemt, dan geeft deze werkvorm je ook de
mogelijkheid om de kinderen goed te observeren. Goede observaties maken het dan
weer mogelijk om te kunnen anticiperen op de ideeën van de kinderen over hun
mediagedrag en je advies en begeleiding daarop aan te passen. Dat het geven van
begeleiding en advies nodig is om mediawijs te worden bewijst voor mij het 10e kenmerk van de WiFi-generatie: de
WiFi-generatie reflecteert niet! Naar mijn mening ligt er voor mij, als ‘21st
century teacher’, dan ook een schone taak om de leerlingen te leren reflecteren,
ook op hun mediagedrag.
Misschien wel juist op hun mediagedrag. Kinderen participeren
immers al volop in de (sociale) media en zouden daarom ook al vroeg bewust moeten
zijn van de identiteit die ze hebben op internet en de democratie van de
virtuele wereld. Maar ik wil mijn leerlingen liever geen regels opleggen op het
gebied van mediagebruik, maar hen zelf op een democratische manier regels te
laten bepalen die past bij hun digitale ontwikkeling. Kinderen zijn tot meer
dingen in staat dan wij volwassenen vaak denken. Kijk maar naar de technische
vaardigheden die kinderen al hebben. Zij zijn de experts op het gebied van
digitale media: zij groeien er mee op! Laat ons als volwassenen leren van de
kinderen, maar help hen ook te leren als ze advies of begeleiding nodig hebben!